Volledige prothesen: de stabiliteit wordt bepaald door de randen, niet door de nauwkeurigheid van de basis

De volledige prothese geldt vaak als achterhaalde techniek, vervangen door implantologie. In werkelijkheid blijft zij voor een aanzienlijke groep patiënten de oplossing, om financiële of medische redenen, en de uitvoering vraagt meer vaardigheid dan vaste prothetiek.

De retentie van een volledige prothese hangt niet af van hoe nauwkeurig de basis de mucosa kopieert. Zij hangt af van de randafsluiting: de continuïteit tussen prothese­rand en het omringende beweeglijke weefsel.

Een perfect passende basis met verkeerde randen houdt niet; een middelmatige basis met juiste randen wel. Daarom telt de functieafdruk zwaarder dan de anatomische, en daarom is de individuele lepel geen luxe.

De randbepaling gebeurt terwijl de patiënt functionele bewegingen maakt en het materiaal nog plastisch is. Elke beweging legt vast hoe ver het beweeglijke weefsel reikt, en dus waar de rand moet ophouden.

De bewegingen zijn gebiedsgebonden: geforceerde glimlach en protrusie voor het voorste vestibulum, laterale kaakbewegingen voor de omgeving van de processus coronoideus, slikken en tongprotrusie voor de mondbodem.

De patiënt moet niet willekeurig bewegen: elk gebied heeft zijn eigen beweging, en hem tijdens het uitharden laten openen en sluiten legt iets vast wat niets oplevert.

In de bovenkaak bepaalt de achterrandafsluiting de retentie. De vibratielijn — de grens tussen hard en zacht gehemelte — vindt men door de patiënt een korte A te laten zeggen en te kijken waar het weefsel beweegt.

De post-dam wordt met aflopende diepte in het model gesneden: dieper in het midden, waar het weefsel het meest meegeeft, en uitlopend naar de zijkanten. Een gelijkmatige post-dam veroorzaakt drukplekken waar het gehemelte dun is.

In de onderkaak is de situatie omgekeerd en moeilijker. Het draagvlak bedraagt ongeveer een derde van dat in de bovenkaak, de tong verplaatst de prothese voortdurend, en er is geen achterrandafsluiting te benutten.

Dat verklaart waarom de tevredenheid van dragers van een onderprothese stelselmatig lager ligt, en waarom twee interforaminale implantaten het resultaat op een manier veranderen die de patiënt meteen merkt.

Het retromolaire kussen verdient aandacht omdat het vaak onbenut blijft. De prothese eroverheen uitbreiden wint draagvlak in een betrekkelijk stabiel gebied: daarvan afzien uit vrees voor drukplekken neemt retentie weg juist waar die het meest ontbreekt.

De wasproef is het moment waarop fouten worden hersteld, en tegelijk de stap die men het snelst bekort. Fonetiek, lipsteun, lachlijn en verticale dimensie in was controleren kost één zitting; ze na het persen corrigeren kost een nieuwe prothese.

Kortom, de volledige prothese wordt beslist door randen en afsluiting, niet door de basis. Een functieafdruk met gebiedsgebonden bewegingen is meer waard dan welk materiaal van de nieuwste generatie ook, verwerkt met globale techniek.