De verticale dimensie verhogen: wanneer het werkelijk nodig is en hoe het te toetsen vóór het onomkeerbaar wordt
Het verhogen van de occlusale verticale dimensie behoort tot de meest besproken ingrepen in de prothetiek, en tot die waarbij theorie en klinische praktijk het langst hebben gedaan om samen te komen.
Decennialang overheerste de overtuiging dat de verticale dimensie een vaste waarde was, dat wijziging ervan kaakgewrichtsklachten veroorzaakte en dat zij millimeternauwkeurig moest worden hersteld. De opgebouwde evidentie heeft die strengheid genuanceerd.
Onderzoek bij patiënten met een verhoogde verticale dimensie toont in de grote meerderheid van de gevallen aanpassing, met voorbijgaande klachten die binnen enkele weken verdwijnen. Verhogingen tot 5 millimeter worden doorgaans goed verdragen.
Dat betekent niet dat de verhoging zonder gevolgen is, maar dat de aanpassingsmarge ruimer is dan werd onderwezen. De vraag is verschoven van hoe veilig het is naar de nuttiger vraag: is het wel nodig.
Er zijn drie echte indicaties. De eerste is gebrek aan prothetische ruimte voor de restauratiematerialen: vraagt correcte reconstructie meer dikte dan beschikbaar, dan is het alternatief endodontische behandeling of het aanvaarden van dunne restauraties die zullen breken.
De tweede is gegeneraliseerde slijtage met gedocumenteerd verlies aan verticale dimensie, waarbij de verhoging een eerdere toestand herstelt in plaats van een nieuwe te scheppen. De derde is de noodzaak een ernstig verstoorde kaakrelatie te corrigeren.
Buiten deze situaties is verhoging vaak een kortere weg om kroonverlenging of orthodontie te vermijden, en dan komt de rekening later, in de vorm van overbelasting en breuken.
Voor de beoordeling van de verticale dimensie bestaat geen enkele referentiemethode, en dat kan men beter zeggen dan één techniek als exact voor te stellen. Rustafstand, fonetiek, gelaatsverhoudingen en slikken geven elk een deelaanwijzing.
De fonetische methode blijft de praktischste: bij het uitspreken van de letter S naderen de elementen elkaar zonder contact, met ongeveer een millimeter ruimte. Raken zij elkaar, dan is de verticale dimensie waarschijnlijk te groot.
Maar geen van deze metingen vervangt de functionele test. Het provisorium op de nieuwe hoogte, ten minste acht tot twaalf weken gedragen, is de enige manier om te weten of deze bepaalde patiënt deze bepaalde hoogte verdraagt.
De proefperiode dient om gegevens te verzamelen, niet louter om te wachten. Spierpijn die na de eerste weken aanhoudt, fonetische moeite die niet verdwijnt, of tekenen van overbelasting op het provisorium wijzen erop dat de waarde moet worden herzien.
Een provisorium dat herhaaldelijk op dezelfde plaats breekt meldt een occlusaal probleem dat de definitieve, stijvere voorziening niet oplost maar doorgeeft aan het onderliggende element.
Kortom, het verhogen van de verticale dimensie is veiliger dan werd gevreesd maar minder noodzakelijk dan vaak wordt voorgesteld. Het rechtvaardigt zich door ontbrekende prothetische ruimte, wordt getoetst met een lang genoeg gedragen provisorium, en bevestigd door waargenomen tolerantie in plaats van door een berekend getal.