Tandtechnisch gips: de water-poederverhouding bepaalt de nauwkeurigheid meer dan de opgegeven klasse

Gips is het goedkoopste materiaal in het laboratorium en datgene wat de nauwkeurigheid bepaalt van alles wat erop wordt gebouwd. Een verkeerd model geeft een verkeerde restauratie, met welke techniek ook.

De ISO-indeling onderscheidt vijf typen. Type I en II zijn afdruk- en voormodelgipsen; type III is modelgips voor uitneembare prothetiek; type IV is hardgips voor precisiemodellen; type V heeft verhoogde expansie.

Het verschil tussen de typen zit niet in de chemische samenstelling — alle zijn calciumsulfaat-hemihydraat — maar in de kristalvorm, die bepaalt hoeveel water het mengsel vraagt.

Type III vraagt ongeveer 30 milliliter water per 100 gram poeder, type IV ongeveer 22, type V nog minder. Minder water betekent dichtere kristallen, dus grotere hardheid en lagere porositeit.

Daaruit volgt het punt dat zwaarder weegt dan al het overige: de water-poederverhouding moet worden aangehouden, en aangehouden door te wegen. Water toevoegen om het mengsel beter te laten vloeien verlaagt de sterkte onevenredig aan de toegevoegde hoeveelheid.

Een op het oog aangemaakt model van type IV kan zwakker uitvallen dan een correct gedoseerd type III. Men betaalt het betere materiaal en krijgt het slechtere resultaat.

De afbindexpansie geldt doorgaans als gebrek, terwijl zij bedoelde compensatie is. Gips zet tijdens het afbinden uit met een bekende waarde, bij type IV doorgaans tussen 0,08 en 0,15 procent.

Die expansie compenseert de krimp van afdrukmaterialen en gietlegeringen. Type V, met expansie tot 0,30 procent, bestaat voor legeringen met hoge krimp.

Type V gebruiken waar type IV aangewezen is levert licht overmaatse stompen op, en kronen die gelijkmatig ruim uitvallen. Een fout die pas bij de pasbeurt aan het licht komt.

Vacuümmengen is geen luxe: het verwijdert de luchtbellen die bij het mengen worden ingesloten. Een bel op het stompoppervlak, precies aan de rand, geeft een restauratie die niet sluit — en de bel is pas na het uitgieten te zien.

Verwerkings- en afbindtijd worden mede bepaald door de watertemperatuur. Warmer water versnelt het afbinden, kouder vertraagt het, waarmee tijden zonder toeslagstoffen te sturen zijn.

Chemische versnellers en vertragers wijzigen daarentegen de expansie, en horen alleen te worden gebruikt wanneer de fabrikant dat aangeeft: zij verstellen een gekalibreerde grootheid.

Kortom: het type kiest men naar gebruik en vereiste expansie, de water-poederverhouding houdt men aan door te wegen en niet op het oog, en vacuümmengen verwijdert het meest verraderlijke defect, omdat het tot het uitgieten onzichtbaar blijft.