Sportbitjes: het confectiemodel beschermt minder dan de patiënt denkt
Tandletsel in de sport treft vooral de bovensnijtanden, en het bitje is het enige middel waarvan de preventieve werking is aangetoond.
De drie beschikbare categorieën presteren zeer verschillend, en de patiënt houdt ze voor gelijkwaardig omdat zij ogenschijnlijk dezelfde taak vervullen.
Het confectiemodel wordt in maten gekocht en past zich niet aan. Om op zijn plaats te blijven vraagt het dat de sporter dichtbijt, wat de ademhaling en het spreken hindert.
Het praktische gevolg is dat het tijdens de activiteit wordt uitgedaan, en een bitje in de zak beschermt niets. Dat is het voornaamste gebrek van de categorie.
Het thermoplastische model wordt in heet water zacht en past zich aan door dichtbijten. Een aanvaardbaar compromis, maar de dikte wordt juist dunner waar de sporter het hardst bijt, op de occlusale vlakken.
De pasvorm verslechtert bovendien bij gebruik en zou periodiek moeten worden hernieuwd, wat vrijwel niemand doet.
Het individuele bitje wordt op afdruk gemaakt, met per gebied gestuurde dikte. Het is het enige dat de dikte behoudt waar zij nodig is zonder haar op te offeren waar zij hindert.
Bepalend is de dikte over het buccale vlak van de bovensnijtanden, want daar komt de klap aan. De in de literatuur genoemde waarden lopen in millimeters, veel meer dan een thermoplastisch model na aanpassing behoudt.
Op de occlusale vlakken is genoeg dikte nodig om te dempen, maar niet zoveel dat de onderkaakstand oncomfortabel verandert, en dat evenwicht onderscheidt een gedragen van een weggelegd hulpmiddel.
De uitbreiding naar achteren reikt tot de eerste blijvende molaar: eerder ophouden laat de elementen onbedekt waarop een deel van de klap wordt afgevoerd.
Bij de orthodontische patiënt is het individuele bitje bijzonder aangewezen, omdat het ook de mucosa tegen de apparatuur beschermt en tijdens de behandeling opnieuw moet worden gemaakt.
In het wisselgebit hoort het met de doorbraak van de blijvende elementen herzien. Een bitje gemaakt op een veranderde boog sluit niet meer aan, en wordt weer een voorwerp dat men uitdoet.
Kortom: het confectiemodel wordt tijdens de activiteit uitgedaan en beschermt niet, het thermoplastische wordt dunner waar het telt, het individuele houdt de dikte per gebied gestuurd, en bij de groeiende patiënt wordt het met de doorbraak opnieuw gemaakt.