Speeksel doet meer dan de patiënt vermoedt, en het is te meten

Speeksel wordt als bijzaak gezien, terwijl het het voornaamste afweersysteem van de mondholte is, en de vermindering ervan brengt gevolgen die alle tegelijk opkomen.

De functies zijn er ten minste vijf. Het verdunt en spoelt resten weg, buffert zuren, levert calcium en fosfaat voor herstel van mineralen, bevat antimicrobiële bestanddelen en houdt de slijmvliezen soepel.

De buffercapaciteit weegt bij cariës het zwaarst. Na inname van suikers daalt de zuurgraad, en hoe snel die weer stijgt hangt af van de bicarbonaten in het speeksel.

Wie een verminderde buffercapaciteit heeft, blijft bij hetzelfde voedingspatroon veel langer in het zure bereik, wat verklaart waarom twee mensen met vergelijkbare gewoonten verschillend risico lopen.

De vloed wordt onder twee omstandigheden gemeten. In rust, door enkele minuten te verzamelen zonder prikkeling; gestimuleerd, door op een smaakloos materiaal te laten kauwen.

De richtwaarden liggen rond 0,3 milliliter per minuut in rust en 1 milliliter per minuut of meer bij prikkeling. Waarden onder 0,1 in rust en 0,7 gestimuleerd duiden op verminderde speekselvloed.

De verzameling gebeurt buiten de maaltijden en zonder roken of tandenpoetsen in het voorgaande uur, anders is de waarde noch met de richtwaarde noch met een latere meting vergelijkbaar.

Het onderscheid tussen beide waarden is klinisch bruikbaar. Een lage rustvloed bij een normale gestimuleerde vloed wijst op werkende maar weinig actieve klieren, een andere situatie dan een daling van beide.

In het eerste geval kan men ingrijpen via prikkeling met suikervrije kauwgom, via drinken en via een doorlichting van de medicatie; in het tweede is klierschade waarschijnlijker en moeten de verwachtingen worden bijgesteld.

Medicatie is de meest voorkomende oorzaak van verminderde vloed, en de lijst is lang: bloeddrukverlagers, antidepressiva, antihistaminica, plaspillen, kalmerende middelen. De patiënt legt zelden het verband tussen een droge mond en zijn behandeling.

De medicatieanamnese hoort dus bij het onderzoek, en bij patiënten met meerdere middelen loont het die bij elke controle opnieuw op te nemen, want behandelingen veranderen.

Een vastgelegde verminderde vloed verandert het plan: hooggedoseerd fluoride, kortere controle-intervallen, speekselvervangers en aandacht voor worteldariës, de vorm die zich het eerst aandient.

Kortom: de buffercapaciteit verklaart verschillend risico bij hetzelfde voedingspatroon, de vloed wordt in rust en gestimuleerd tegen bekende richtwaarden gemeten, het onderscheid stuurt de behandeling, medicatie is de meest voorkomende oorzaak, en een verminderde vloed rechtvaardigt een andere aanpak.