Occlusieconcepten in de prothetiek: de geleiding kiest men naar wat er is, niet naar de theorie

Het debat over occlusieconcepten behoort tot de meest ideologische in de tandheelkunde, met scholen die al decennia tegengestelde standpunten verdedigen. De klinische evidentie is minder uitgesproken dan die standpunten doen vermoeden.

De drie hoofdconcepten hebben verschillende indicaties. Bij hoekgeleiding raken bij zijwaartse beweging alleen de hoektanden elkaar en disoccluderen alle andere; groepsgeleiding verdeelt het contact over meerdere elementen aan de werkzijde; gebalanceerde occlusie houdt ook aan de balanszijde contact.

Gebalanceerde occlusie heeft één nauwkeurige en beperkte indicatie: de volledige prothese. Daar stabiliseren gebalanceerde contacten de basis tijdens beweging, terwijl zij in een natuurlijk gebit een bron van overbelasting zouden zijn.

Tussen hoek- en groepsgeleiding beslist de beschikbare hoektand. Een hoektand met intacte parodontale steun en gezonde kroon kan de geleiding overnemen; een met aanhechtingsverlies of aangetaste kroon draagt de geconcentreerde belasting niet.

Groepsgeleiding is dus geïndiceerd waar de hoektand zwak is, ontbreekt, of waar het herstellen van zijn geleiding een buitensporige kroonverlenging zou vragen.

Wat alle concepten in een natuurlijk gebit gemeen hebben is posterieure disocclusie bij excentrische bewegingen. De zijdelingse delen moeten in maximale occlusie contact maken en bij zijwaartse en protrusieve beweging vrijkomen.

De reden is biomechanisch: een posterieur contact tijdens een excentrische beweging vormt een hefboom van de derde klasse met de condylus als draaipunt, en de resulterende krachten overtreffen die van het contact in centrale relatie ruimschoots.

De balanscontactinterferentie aan de niet-werkzijde heeft de best gedocumenteerde gevolgen: knobbelbreuken, loskomen van restauraties, losdraaien van implantaatschroeven. Zij moet actief worden gezocht, want de patiënt merkt haar niet.

Articulatiepapier gebruikt men in twee kleuren en in volgorde: eerst de contacten in centrale relatie in één kleur, dan de excentrische bewegingen in de andere. Eén kleur levert een onleesbaar beeld op waarop men op goed geluk inslijpt.

De papierdikte telt: papier van 200 micrometer markeert contacten die er niet zijn. Voor de afwerking gebruikt men diktes van 8 tot 12 micrometer, die alleen echte contacten aangeven.

Bij een beperkte rehabilitatie is het bijna altijd het voorzichtigst de bestaande occlusie te kopiëren. Functioneert een patiënt al jaren met groepsgeleiding, dan betekent hoekgeleiding opleggen dat men zonder noodzaak een ingesleten neuromusculair patroon verandert.

Vanaf nul opbouwen is anders: daar verdient hoekgeleiding de voorkeur waar de hoektanden dat toelaten, omdat zij de belasting op de zijdelingse delen verlaagt en het beheer van de restauraties vereenvoudigt.

Kortom: kopieer de bestaande occlusie zolang zij werkt, kies hoekgeleiding wanneer u opbouwt en de hoektand het draagt, gebruik groepsgeleiding wanneer hij dat niet doet. En zoek altijd de interferenties aan de niet-werkzijde, want dat zijn de contacten waarover de patiënt nooit meldt.