Kunsttanden: de knobbelhelling kiest men vóór de kleur

De keuze van kunsttanden draait vrijwel altijd om kleur en vorm, en vrijwel nooit om de knobbelhelling. Dat is de omgekeerde volgorde van wat het functioneren van de prothese bepaalt.

De beschikbare knobbelgraden lopen doorgaans van nul tot drieëndertig. Het getal geeft de hoek van de knobbels ten opzichte van het horizontale vlak, en bepaalt hoe de prothese zich bij bewegingen gedraagt.

Tanden van drieëndertig graden hebben uitgesproken knobbels, goede kauwefficiëntie en een natuurlijk aanzien. Zij vragen echter gunstige kaakrelaties en goed bewaarde kaakwallen, want steile knobbels wekken horizontale krachtcomponenten op die de basis destabiliseren.

Tanden van nul graden, zonder knobbels, wekken geen enkele zijwaartse kracht op. Zij zijn aangewezen bij sterk geresorbeerde kaakwallen en ongunstige kaakrelaties, waar stabiliteit zwaarder weegt dan efficiëntie.

Twintig graden is het meest gebruikte compromis: aanvaardbare kauwefficiëntie bij beperkte zijwaartse krachten. Het is de verstandige keuze wanneer niets naar een uiterste duwt.

Bij een implantaatgedragen overkappingsprothese verandert de logica. De implantaten leveren de stabiliteit die de conventionele prothese mist, en dat laat tanden met uitgesprokener knobbels toe zonder het risico de basis los te wrikken.

Onder de materialen hebben acrylaattanden het voordeel zich chemisch te binden aan de eveneens acrylaten basis. Het is een echte binding, geen mechanische, en de reden dat een tand zelden loslaat.

De beperking is slijtage: acrylaat slijt sneller dan glazuur en bij jarenlang gedragen prothesen geeft dat een geleidelijk verlies van verticale dimensie.

Composiettanden bieden hogere slijtvastheid met behoud van de chemische binding aan de basis. Zij zijn de meest evenwichtige keuze voor prothesen die lang mee moeten, en voor patiënten met natuurlijke antagonisten.

Porseleintanden hebben de laagste slijtage van alle, maar binden niet chemisch: de retentie is mechanisch, via pinnen of holten. Zij zijn broos en slijten de natuurlijke antagonist, en daarom is hun gebruik sterk teruggelopen.

De vorm van de frontelementen kiest men in verhouding tot het gezicht, met een praktische regel die de toets doorstaat: de omgekeerde omtrek van de centrale snijtand komt doorgaans overeen met de gezichtsvorm.

De opstelling weegt echter zwaarder dan de keuze. Uitstekende tanden opgesteld zonder middenlijn, occlusievlak en lipsteun te respecteren geven een slechter resultaat dan gewone tanden die met beleid zijn opgesteld.

Kortom: kies eerst de knobbelgraad naar kaakwal en kaakrelatie, dan het materiaal naar antagonist en verwachte draagduur, ten slotte vorm en kleur. De omgekeerde volgorde geeft prothesen die er goed uitzien en instabiel zijn.