Frameprothesen: het ontwerp beslist, en het laboratorium kan een verkeerde keuze niet herstellen

Het frame wordt nog vaak door het laboratorium ontworpen aan de hand van het model. Die delegatie levert prothesen op die mechanisch juist en biologisch schadelijk zijn, want de tandtechnicus ziet het model maar niet de patiënt.

Het ontwerp hangt af van gegevens die het model niet bevat: beweeglijkheid van de resterende gebitselementen, pocketdiepten, kwaliteit van het dragende bot, handvaardigheid van de patiënt en esthetische prioriteiten die alleen hij kan uitspreken.

De Kennedy-classificatie blijft het referentieschema omdat zij het mechanische probleem ordent. Klassen I en II kennen een vrij-eindsituatie, dus een zadel dat aan één zijde alleen op de mucosa rust: daar telt het ontwerp het zwaarst.

Het onderscheid is wezenlijk. Een tandgedragen zadel leidt de belasting naar gebitselementen, die een parodontaal ligament en een fysiologische reactie bezitten; een mucosagedragen zadel belast week weefsel en bot dat resorbeert.

Het verschil in inzakking tussen beide steunvormen is het kernprobleem van de vrij-eindsituatie. Mucosa geeft onder belasting enkele tienden van een millimeter mee, een gebitselement enkele honderdsten: de prothese kantelt om de steun en belast de pijler schadelijk.

Occlusale steunen bestaan juist om die kanteling te beheersen, en hun plaats is de belangrijkste beslissing van het ontwerp. Een mesiale steun op de pijler naast het distale zadel verplaatst het draaipunt en verkleint de hefboom op het element.

Dat is het principe van de RPI-klammer — mesiale steun, approximale plaat, I-staaf — precies daarvoor bedacht. Onder belasting komt het retentieve deel los in plaats van de pijler te verdraaien.

Akers-klammers, eenvoudiger en meer verbreid, werken goed in de klassen III en IV waar beide zadeluiteinden tandgedragen zijn. Toepassing in een vrij-eindsituatie brengt trekkrachten op de pijler over die deze na verloop van tijd losmaken.

De retentie ontstaat door de punt van de retentieve arm in een gemeten ondersnijding te plaatsen, niet in een geschatte. De parallellometer is geen laboratoriumluxe: de omvang van de ondersnijding bepaalt de kracht die nodig is om de prothese uit te nemen.

Een te grote ondersnijding maakt de prothese moeilijk uitneembaar voor een oudere met verminderde handvaardigheid, en de patiënt neemt haar niet meer uit om te reinigen. Het gevolg is cariës op de pijlers en ontsteking van de mucosa.

De grote verbinder moet stijf zijn: een beugel die doorbuigt draagt onvoorspelbare belastingen over op de pijlers. In de bovenkaak verdeelt de palatinale plaat beter maar wordt zij slechter verdragen; in de onderkaak vraagt de linguale beugel ten minste 8 millimeter beschikbare hoogte.

Daaronder is een linguale plaat nodig, die echter de linguale vlakken van de frontelementen bedekt en vergezeld moet gaan van nauwkeurige mondhygiëne-instructie, omdat zij een stagnatiezone schept.

Kortom, het ontwerp van een frame is een klinische beslissing die mechanica, parodontium en het vermogen van de patiënt samenbrengt. Het laboratorium voert nauwkeurig uit: is het ontwerp verkeerd, dan voert het dat even nauwkeurig uit.