Brackets plakken: herhaald loslaten is vrijwel altijd contaminatie, niet de hechtstof
Een losgelaten bracket kost een ongeplande afspraak en verlengt de behandeling. Gebeurt het herhaaldelijk op hetzelfde element, dan ligt de oorzaak vrijwel altijd in het plakprotocol, niet in de gekozen hechtstof.
Speekselcontaminatie is de eerste oorzaak en werkt in een oogwenk. Geëtst en gedroogd glazuur dat speeksel een moment raakt, verliest een groot deel van de hechting, en het kenmerkende doffe aanzien verdwijnt.
De controle is visueel: na etsen en drogen moet het glazuur krijtwit ogen. Glanst het, dan is het gecontamineerd en moet het opnieuw worden geëtst.
Droogleggen is daarom het deel van het protocol waarop niet wordt bezuinigd. Wangspreider, wattenrollen en voldoende afzuiging wegen zwaarder dan welk productverschil ook.
Total-etch met 37 procent fosforzuur blijft de maatstaf voor glazuurhechting. De gebruikelijke tijd is 15 tot 30 seconden, en verlenging verhoogt de hechting niet: zij vormt een prismalaag die zo diep is dat hij verkruimelt.
Zelfetsende primers besparen stappen en stoeltijd en geven op onbewerkt glazuur iets lagere hechtwaarden die in de meeste gevallen klinisch volstaan.
Minder geschikt blijven zij op fluorotisch glazuur of op bijzonder gladde vlakken, waar het agressievere etsen een voordeel behoudt.
Plakken op niet-glazuuroppervlakken vraagt andere protocollen, en dit punt wordt het vaakst over het hoofd gezien. Een bracket op een keramische kroon vraagt etsen met waterstoffluoride en silaan; op een metalen kroon stralen en een specifieke primer.
Het glazuurprotocol op een prothetische kroon toepassen leidt vrijwel zeker tot loslaten, en de patiënt leest dat als een gebrek van het orthodontische werk.
Overtollige hechtstof rond de basis is de meest voorkomende oorzaak van demineralisatie, omdat zij plaque vasthoudt op een plek die de patiënt niet kan reinigen. Zij wordt vóór het uitharden verwijderd, zolang dat makkelijk gaat.
Het verwijderen van composietresten aan het einde van de behandeling is het moment waarop glazuur blijvend beschadigd kan raken. Boren op lage snelheid onder visuele controle blijven de meest behoedzame methode.
Diamantboren nemen in deze fase composiet en glazuur samen weg, en het verschil is pas zichtbaar als het te laat is. Wolfraamcarbide finieerboren met snijkanten werken selectiever.
Kortom: herhaald loslaten wijst op contaminatie of een verkeerd protocol voor het substraat, geëtst glazuur moet krijtwit ogen, prothetische oppervlakken vragen eigen protocollen, en het eindverwijderen gebeurt met selectieve instrumenten.